Probleem op deze pagina?

Project: Onderdrukking van wollige bloedluis en andere appelplagen met entomopathogene nematoden als ondersteuning van duurzame productie van Vlaams pitfruit

LBO: Landbouwonderzoek
01/07/2010
01/07/2012

Dit project richt zich tot alle pitfruitbedrijven in Vlaanderen (1000-tal). Dit zijn KMO’s, met meestal een familiale bedrijfsstructuur. Alle fruittelers werken vandaag volgens de principes van de geïntegreerde bestrijding (IPM) en een minderheid gebruikt enkel biologische bestrijdingstechnieken. De ontwikkeling van efficiënte biologische bestrijdingsmiddelen is cruciaal voor deze laatste groep, maar is eveneens van groot belang voor de geïntegreerde teelten.

Sinds de jaren negentig kozen de Belgische hardfruittelers en de regulerende overheden resoluut voor de implementatie van geïntegreerde teeltwijzen. Dit betekent het gebruik van zeer selectieve gewasbeschermingsmiddelen, maximaal ondersteund door aanwezige nuttige organismen. De geïntegreerde bestrijding van diverse plaaginsecten en –mijten heeft zeker zijn vruchten afgeworpen, maar er zijn een aantal persistente plagen die voor problemen (blijven) zorgen in de geïntegreerde appelteelt. Vaak is dit een gevolg van de intrekking van “klassieke” chemische bestrijdingsmiddelen zonder dat er volwaardige alternatieven beschikbaar zijn, of van een verhoogde selectiviteit van nieuwe middelen waardoor secundaire plagen plots belangrijk worden. Een berucht voorbeeld hiervan is de wollige bloedluis (Eriosoma lanigerum) die een ernstige bedreiging vormt voor de rendabele productie van appelboomgaarden. Een aantasting door bloedluizen resulteert in oogstverlies (besmeurde, kleinere vruchten) en in een vervorming (kankerweefsel) en verzwakking van bomen op lange termijn. Er is momenteel slechts één chemisch bestrijdingsmiddel (pirimicarb) erkend, waarvoor de kans op resistentieontwikkeling bijgevolg reëel is, temeer omdat de aspecten rond voedselveiligheid en residu’s een optimale inzet (vaak vanaf half mei, bij voldoende hoge temperatuur) bemoeilijken. In het najaar migreert een deel van de bloedluispopulatie naar de wortels, waar ze de hele winter zuigschade aanricht en van waaruit de volgende lente de hoofdmigratie naar de takken plaatsvindt. Het feit dat de wollige bloedluis een deel van haar levenscyclus in de bodem doorbrengt, biedt perspectieven om de populatie te onderdrukken met behulp van entomopathogene nematoden.
Entomopathogene nematoden (EPN) zijn natuurlijke voorkomende parasieten van insecten, die reeds met succes worden ingezet in diverse kas- en openluchtteelten. Het doel van dit project is om een basis te creëren voor geslaagde praktijktoepassingen van EPN in de hardfruitteelt. Wollige bloedluis vormt hierbij een belangrijke doelplaag. Naast de wortelzuigende bloedluizen in de bodem wordt er doorgaans een kleiner aandeel overwinterende bloedluizen (zowel larven als volwassenen) teruggevonden in schorsspleten en kankerwonden op de stam. Aangezien deze beschutte schuilplaatsen tevens geschikt geacht worden als habitat voor EPN, verwachten we dat bodem-/stambehandelingen in het voorjaar de migratie naar de takken grotendeels zal verhinderen. Bovendien kunnen zulke toepassingen ook significante reducties teweegbrengen van een aantal andere plaaginsecten die tevens een deel van hun levenscyclus in hogergenoemde habitats doorbrengen, zoals bijvoorbeeld ingesponnen rupsen van fruitmot en verschillende bladrollers, bastaardrupsen van de appelzaagwesp, meikeverlarven en maden van appelbladgalmug.
Voor een geslaagde inzet van EPN tegen wollige bloedluis, met daarbij een optimale nevenactiviteit tegen andere simultaan aanwezige plaaginsecten in de appelboomgaard, is een uitbreiding van onze kennis op drie vlakken vereist. Ten eerste dient er nagegaan te worden welke EPN-stammen de hoogste effectiviteit vertonen tegen bloedluizen en wat hun eventuele impact is op andere plagen van het appelpestcomplex. Daarom plannen we een grondige screening van beschikbare EPN-stammen op afdodingsefficiëntie van bloedluis, waarbij de meest efficiënte stammen summier bijkomend getest worden tegen andere doelplagen. Ten tweede is het noodzakelijk dat we de persistentie van deze EPN-stammen in hogergenoemde boomgaardhabitats op een correcte wijze kunnen inschatten. Hiervoor zullen we hun migratie- en overlevingskarakteristieken in diverse bodemtypes (voorkomend in de verschillende Vlaamse fruitteeltgebieden), evenals in beschutte schuilplaatsen op de stam, bepalen. Ten derde dienen er kennishiaten omtrent de habitatverdeling en de overwinteringskarakteristieken van de doelplagen opgevuld te worden. Zo zijn er geen kwantitatieve gegevens bekend over het aandeel wollige bloedluizen dat zich vanaf het late najaar tot een eind in het voorjaar en eventueel tijdens de zomer, hetzij in de bodem, hetzij op de stam, bevindt. Ook de invloed van abiotische factoren (zoals bodemtype) op deze verhouding is niet gekend. Daarom voorzien we om ontbrekende gegevens betreffende de populatiedynamische habitatverdeling van wollige bloedluis in kaart te brengen. De aanwezigheid van andere doelplagen in deze habitats zal daarbij eveneens worden geregistreerd. Dit zal een goede ondersteuning betekenen voor gerichte toepassingen van EPN.
Succesvolle introductie van deze nieuwe biologische bestrijdingstechniek (EPN) waarbij de meest efficiënte EPN stammen optimaal worden toegepast wat tijdstip, boomgaardhabitat en formulering betreft, levert een belangrijk ecologisch en economisch voordeel op in de ontwikkeling van een duurzaam landbouwsysteem.

ILVO, Gewasbescherming, Nematologie
pcfruit vzw, afdeling Zoölogie
Tim Beliën
Biocontrole, Crop Productie, Horticultuur / tuinbouw, Pesticides
Tim Beliën
Bert Bellens (Werken en Leren vzw)
Share this on